Sign up with your email address to be the first to know about new products, VIP offers, blog features & more.

Op het kerkhof van Vladslo

OUDERPAAR

voor Käthe Kollwitz

 

Hoe verschillend de jaren.

Het ene bladstil, een zomerdag haast.

Het andere kan zich niet luid genoeg haasten.

Er zijn er die vechten, er zijn er die paren.

Jij ontwaakte in het jaar van de wapens.

Het ploegde de held in je boven: geharnast

in taal. Het lied van de Hades hoorde je niet.

 

Ik wilde je winnen voor vrede.

Je haakte naar harde bevelen.

Ik liet je een moederhart voelen.

Je hoorde het vaderland roepen.

Ik schetste het lot van Achilles in Troje.

Je waande je Zeus daar bij de Cyclopen.

 

We omhelsden met loodzware armen.

Stopten een schaakbord in je bagage.

Stuurden van Goethe de Faust met je mee.

We bleven maar zwaaien. Men scheurde je lachend uit ons.

Jij hoorde ons niet. Alleen nog de stem van je keizer.

Wij hoorden jou niet. Alleen een geroffel vanbinnen.

Voor ons was het wachten een donkere kamer.

 

De zomer kneedde zijn doders uit olijke jongens.

Een goederentrein – spoorwegen weten wat mensen niet weten –

bracht je zingende infanterieregiment naar de plaats

waar ze trappelden om de velden van eer ter betreden.

 

Twee dagen volstonden voor jou om te sterven.

Twee dagen van hoog in de wolken tot onder de grond.

Kogels omkransten je hoofd. Je kleurde het roggeveld rood.

 

Mijn brieven keerden op hun stappen terug.

‘Zurück – gefallen’: dat waren de woorden.

Een splinterbom in Berlijn. Een levensgroot gat diep in ons.

 

Uit mijn hoofd groeiden takken, mijn mond was een schildpad.

Mijn hart een land onder water. Er was niets

om de vloed te bedwingen. Ik kroop naar mijn hoogste etage.

 

Een pen. Soms bevat ze alles wat zich ooit wilde schrijven.

Soms zijn de lijnen er al. Ze wachten alleen op de hand die ze trekt.

Ze wachten op maagdelijk wit om haarfijn hun jawoord te geven.

 

Op mijn blad kwam verbogen de lijn van de vallende

vrouw. De moeder die hangt naar de kuil

die haar koude zoon heeft beslapen. Ver van haar bed.

Op mijn blad kwam verticaal de taal van de zwijger,

de vader, de armen gekruist om alles wat borrelt en bruist

in dat brekende lijf binnen te houden.

 

Verdriet werd gezaagd uit het holst van de berg.

Verdriet werd verscheept in reusachtige brokken graniet.

Rhades hakte de vader uit zijn hardnekkige gietvorm.

Dietrich baarde de moeder uit haar versteende baarmoeder.

 

Toen ging ik op zoek naar mijn kind dat klei was geworden.

Je lag tussen Zarren en Esen. De ingang was maar een gat

in de haag. De graven waren maar heuvels dicht op elkaar,

bedekt met een mantel van rozen. Op een van de kruisen

vond ik de naam die jij ooit van ons had gekregen.

 

Daar bracht ik je vader en moeder, opgetrokken uit treuren.

Ze kunnen nu iedere dag naar je kijken. Ze zijn sterk genoeg

om verdriet van andere ouders op hun schouders te nemen.

 

Ik werd grijs voor mijn tijd. Mijn hart is geweven

uit littekenweefsel, mijn bloedende hand niet te stelpen.

Mijn bloed spreekt van moeder tot moeder: giet was

in het oor van uw kind, laat het niet uit sterven gaan

voor keizer en vaderland. Want wat is heilige grond

met zonen diep onder de zoden.

1 Response
  • Hilde Marie Louise
    augustus 5, 2017

    Prachtig gedicht bij een prachtig beeld.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *