Sign up with your email address to be the first to know about new products, VIP offers, blog features & more.

Brugse stadsgedichten

Brugse stadsgedichten
Peter Theunynck

OUDE MANNEN

Steden zijn stapelgekke oude mannen.
In de herfst slepen ze met hun voeten
alsof het gewicht van de hele wereld

aan hun hielen hangt. Ze glijden dodelijk
vermoeid de winter in, onder sneeuwen
dekens. Klaar voor de totale slaap.

Wat ademen ze traag en zwaar. Wat zwijgen
ze stiller dan de stilste begraafplaats.
Toch ziet de lente hen blozend ontwaken,

krokus in het knoopsgat, paasbloemen
in de grasgroene vingers. Ze rechten de rug,
strijken de vouwen uit dat oude lichaam

en wandelen onwankelbaar de mooiste
tegemoet door jubelende winkelstraten.
‘Daar, het Minnewater’, mummelen ze,

alsof ze levenswijsheden uitkramen.
Ze rijden in karossen van staat
met immer geroskamde paarden.

Na kantoortijd roken ze sigaren. Hun avond
is gevuld met restaurant en zwanenzang.
Ver na middernacht schudt de laatste kroeg

hen uit. Dan klimmen ze met klokkenspel en al
de torens tegemoet. Wat zien ze graag de zon
als Ursula herboren uit het zwarte water komen.

 

BOOMIDIOOT

Vijf esdoorns en een pruimenboom.
Teveel voor een tuintje in Brugge.
Stammentwist van de boomidioot.

‘Bomen zijn levende wezens’, zegt hij.
Hij noemt ze bij naam. Gewaagt van
individuen. Mensen vinden hem gek.

‘Ze pakken mijn zon af. Omhakken
die boel. Weg met de takkenman.
De wet is de wet. De Code Napoléon!’

Niet dat hij ze knuffelt. Ze brengen rust.
Niet dat hij ze nachtkust. Zij geven adem.
Ze wortelen hem. Moeder en vader.

‘Te dicht bij de scheilijn’ (de rechter).
‘En het regenwoud dan’ (de radio).
‘Hippie, terug in uw boom’ (het internet).

‘Plant elders andere kinderen’ (de buren).
‘Nergens meer stoflong dan hier,’ zegt hij,
‘Kanker heeft hier de tijd van zijn leven.’

Voor hem is de streep al getrokken.
Wie hakt de tak af waarop hij zit? Wie
bengelt aan touw dat hij zelf heeft gevlochten?

 

NARCISSEN IN HET BEGIJNHOF

De narcissen waren gekomen.
Ze hadden hun moeizame tocht
door de binnenkant van de aarde
voltooid. Daar stonden ze dan

op hun gouden trompetten
te blazen op het binnenplein
van het begijnhof: hier zijn we.
Het was hun Vivaldi van vreugde.

Er viel zo veel te bezingen. Bij dag
blonk hun lied zo helder en wit
als de zwanen. Bij nacht klonk het
diep en donker als Minnewater.

Over een maand werd de aftocht
geblazen. Over een maand zou
hun gejubel verschrompelen
tot niets. Prooi voor de zeis.

Nu was het Pasen en peis.
Nu was er net genoeg wind
voor een wiegende reidans.
Nu was zo goed als altijd.

 

ZOMER IN BRUGGE

Elk huis ontvangt met open armen.
Elk glasgordijn wil zomerjurk zijn.
Daartussen vliegt John Dowland uit
op de schouders van Andreas Scholl.

Langzaam giet de hemel smeltend lood.
Alle straten zweten van de mensen.
Alles loopt op eindeloze benen.
Alles hongert plots naar bier en schaduw.

Laat Salvator dan een hand van marmer
leggen in je hals. Laat de schippers op de Reien
je omhelzen met hun water. Ga in Groeninge
met Christus de Jordaan van Gerard David in.

Valt de avond, duik dan met de mussen
in de heggen van de vesten, of met de ransuil
in het lover van het Lappersfort. Met de zwanen
van het Minnewater wordt het vederzacht ontwaken.

 

ENGELS KLOOSTER

Weet, wie hier binnentreedt, u wandelt hier
door kamers van perfect gesnoeide godsvrucht.
Jan Alexander Arrazola de Oñate, kamerheer
van Albrecht en Isabella bekostigde dit oord.

Tussen hagen fluistert het van Jezusbruiden
die hier krompen tot een handvol grond.
De nachtegaal gewaagt van Mary Augustina More,
die in haar rijtuig voor de revolutie vlood

naar Suffolk. Later voer ze naar haar godsvolk
terug, met in haar koffers het portret
dat Holbein van Sir Thomas had gekonterfeit.
De houten kader bleek een schrijn vol relikwieën.

Biechtend en knielend werden overzeese meisjes
hier katholieker dan de paus. Ze sliepen zich
in hun habijten vast ver van hun vaderland.
Hun chaplain gooide hier zijn aardse boeien af.

Met de boomgaardvinken floot hij ver weg
van zijn laatste bed. Kom in de tuin en luister
naar de zangen van verlangen en verdriet.
Ze hangen in de takken, maar u ziet ze niet.

Bedek uw hoofd met koelte in de koepelkerk
en bezichtig de penditieven. Bewonder
hoe ze naakt en oud als Atlas het dak
des hemels op de tengere schouders torsen.

Weet, wie hier binnentreedt, u wandelt hier
door kamers van perfect gesnoeide godsvrucht.
Jan Alexander Arrazola de Oñate, kamerheer
van Albrecht en Isabella bekostigde dit oord.

 

DEMONEN

voor Jotie, Marcus, Patricia, Paul en de anderen

In Brugge vechten dichters met hun demonen.
Ze houden zich schuil op de bodems van flessen,
in de droesem van Bourgondische wijnen.
Ze slepen je naar de vergeetmijnen laag in jezelf,
waar je ontwaakt in de dwangbuis van je gedachten,
mijlen van iedere zeebries verwijderd.

In Brugge vechten dichters met hun demonen.
Ze werden nog voor hun vaders geboren.
Ze groeiden in moeders tot misgeboorten
met schreeuwlelijke hoofden en klauwen
die zelfs het tederste strelen discrediteren.
Die het bloed laten lopen. Ondersteboven.

In Brugge vechten dichters met hun demonen.
Dwaallichten lokken naar galmende zalen
in Sint-Janshospitalen van zalven en zweren
vol klagende in zichzelf gekeerde patiënten
onmachtig het licht in de ogen van die ene
nachtzuster te zien. Ster der vertroosting.

In Brugge vechten dichters met hun demonen.
Ze hangen om de hals als gargouilles.
Slaan het beleg voor hun schamele winkel.
Dan regent het vloeken, wraak en verwijten.
En die monsters maar grimassen trekken
tot diep in je donkerste stegen.

In Brugge vechten dichters met hun demonen.
Niet tevergeefs. De dag naakt dat legers
van sneeuwwitte woorden opstomen
over het teerzwarte water. Ze planten
Hun bek in de nek van dat duister gebroed.
Ze fluisteren licht in het oor van de dichter.

 

PENONE IN BRUGGE

Jupiter veranderde een mensenpaar in bomen.
Soms zouden goden beter het omgekeerde doen.

Zoals Penone, god van de kleine dingen,
uit dode takken levende gedaanten tovert.

Ze dansen in de tuinen van Versailles, beklimmen
de heuvels van Kassel, waaien bij de Westersingel uit.

Pal in de stenen vlakte van Sint-Jan
plantte hij een boompje in een bronzen jas.

Misschien omdat hij vlakbij bijlen hoorde zingen.
Misschien omdat hij wist van schild en vriend.

Uit bronzen armen druppelt levend water.
Harnas van liefde. Dat trekt mensen.

 

ALS JE WEGGAAT

Jij zou het dier in mij met zachte zwepen temmen.
Bezaaide mijn traject met voetangels en klemmen.
Maar tussen ons bleef iets. Dat is toch meer dan niets.

Als je weggaat, kom je dan nog terug?
Als ik terugkom, ben jij er dan nog?

Ik trok mij al te vaak in mijn eigen oerwoud terug.
Jij fladderde dan heen, verbrandde brug na brug.
Maar je vergeten? Nee dat niet. Dat je dat niet ziet.

Als ik terugkom, ben jij er dan nog?
Als je weggaat, kom je dan nog terug?

De chaos in mijn kielzog ging je storen.
Jouw litanieën daaromtrent wou ik niet aanhoren.
Dus liep ik naar de kroeg, dronk meer dan ik verdroeg.

Als je weggaat, kom je dan nog terug?
Als ik terugkom, ben jij er dan nog?

Je had geregeld zelf ook vreemde grillen.
Ach wist ik maar precies wat jij zou willen.
Maar dat wist ik eerlijk niet. En dat vond jij hypocriet.

Als ik terugkom, ben jij er dan nog?
Als je weggaat, kom je dan nog terug?

Je kuste hem speciaal om mij te jennen.
Maar daaraan liet ik mij nu echt niet kennen.
Toen was je buiten zinnen en wilde me omspinnen.

Als je weggaat, kom je dan nog terug?
Als ik terugkom, ben jij er dan nog?

Ik wil het echt opnieuw met je proberen.
En ik geef toe: ik heb nog veel te leren.
Maar jij toch ook misschien. Ach we zullen nog wel zien.

Als ik terugkom, ben jij er dan nog?
Als je weggaat, kom je dan nog terug?

 

WINOK

Het zag er zo mooi uit.
Het werk was getemd.
Het leven kon weer beginnen.

Het kronkelde als een slang
rond je benen. Het fluisterde
als een adder zijn gif in je hals.

Het viel halsoverkop met jou
in het water. Alles was plots
veel te zwaar en je zonk.

Zo glashelder werd je
vanbinnen, zo vol van het zingen
van het kanaal dat je zweeg.

Nu staan we genageld hier
aan de kade. Ons prevelen
praat je geen leven meer in.

Waar bleven we toen jij ging
zweven? Waar waren we toen
de nacht met jou aan de haal ging?

 

EMIEL PAUWELS (1918 – 2014)

Terwijl wij kankeren en klagen dat het niet meer gaat,
spurtte hij naar goud in San Sebastian. Terwijl wij,
struikelend over een oneffen tegel, onze botten breken,
sprong hij zingend naar de zege in Porto Alegre.

Terwijl wij gordijnen dichttrekken, lichten doven,
ons begraven in ons dorp, doorkruiste hij de continenten.
Terwijl wij onze laatste eurocent aan refterkost uitgeven
en medicamenten, vergaarde hij meer dan duizend medailles.

Terwijl wij specialisten consulteren, operatie na operatie
ondergaan, terwijl wij in kille klinieken vegeteren,
maakte hij zijn papieren klaar, verzamelde zijn vrienden
voor een afscheidsmaal en ging glimlachend over.

 

BRUGGE IN DE WINTER

Zwanen zijn ijsschotsen, gestold in oliedik water.
Vervroren vissers de bomen. Ze staan zo gebogen,
maar gooien geen lijnen meer uit, zien geen dobber
meer drijven. Zelfs de luidste vissen zwijgen zich dood.

In gevlakgomde straten klinkt elke stem luider,
omdat geen motor meer maalt, geen hoeven meer
kletteren over de klinkers. Mensen eggen trottoir
na trottoir. Ze hebben het even weer voor het zeggen.

De stad wordt gevuld met verdwenen geluid: echo’s
van stappen, suizende sleeën, voldragen cantates.
Er dwarrelt een alt uit de hemel. Een sopraan smelt
als sneeuw voor de zon in een koor van violen.

Aan de rand van de stad slaapt in een bruidsjurk
van kant de Chartreuse. Na de dooi zal hij komen,
haar lief. Een strop van metaal legt hij strak
om haar hals, in beton zal hij gieten haar ziel.

 

ASTRA

Dag Astra. Dag processiepaard. Dag
Rocinante van Anton van Bourgondië.
Brabants – zo bloeide je open

in de Gouden Boomstoet. Je sneuvelde
niet op het slagveld, maar sneu
in je uitgemeste stal. Je gleed en raakte

tussen vloer en wand gekneld.
Jij die helden had gedragen, hapte
als een walvis op het land naar adem.

Zoals het een strijdros betaamt,
rechtte je nog een keer je rug.
Je liep de nacht in om te sterven.

Vaarwel processiepaard.
Door je grijze manen
zal geen zon meer gaan.

Slaap maar staande, lieve Astra.
Bedraaf de paardenhemel. Geen dood
gewicht dat je nog naar beneden haalt.

Peter Theunynck schreef deze stadsgedichten als vrije stadsdichter van Brugge, aangesteld door de Lappersfort Poets Society (www.poeziebos.be).

Nog geen reacties.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *